Animalsunited header

Mier


Naam: Mier  mier
Lengte: Koninginnen kunnen 4 tot 6 cm lang worden
Voedsel: Alleseters
Leefomgeving: Overal met uitzondering van de polen
Status: Veilig
Taxonomische indeling:
  • Rijk: Dieren (Animalia)
  • Stam: Geleedpotigen (Arthropoda)
  • Klasse: Insecten (Insecta)
  • Orde: Vliesvleugelig (Hymenoptera)

Mieren

Mieren zijn lid van de Insecten klasse en zijn nauw verwant aan wespen. Er zijn soorten wespen die hun vleugels hebben verloren, deze wespen staan bekend als “Gravende wespen” en zijn bijna niet te onderscheiden van de mier. Ook de bouw van een mier, lijkt heel veel op de bouw van een wesp. Sommige mieren hebben zelfs een angel.

mier2

Mieren kunnen we onderverdelen in twee groepen:

  1. ‘Echte mieren’ (Wetenschappelijke naam: Formicidae),
  2. Mierwespen, (Wetenschappelijke familie Mutillidae).

De mierwespen zijn vleugelloos en lijken op mieren, maar behoren tot de Wespen familie. Mierwespen veel behaarder dan Mieren toch zijn ze lastig te herkennen. Er zijn ongeveer 12.000 soorten Mieren bekend en leven in een ontzettend grote groep, oftewel in een kolonie. Zo’n kolonie wordt geleid door één (of enkele) koningin(nen).

mier4

Kenmerken

De meeste soorten zijn zwart of bruin, maar er zijn ook rode, groene, gele en grijze soorten bekend.
Het lichaam is in drie stukken verdeeld, de kop, het borststuk en het achterlijf. Mieren hebben 6 poten en 5 ogen. De poten zitten allemaal aan het borststuk vast.
Ondanks dat ze 5 ogen hebben kunnen mieren slecht zien. Gelukkig hebben ze voelsprieten aan de voorzijde van de kop. De voelsprieten zijn erg gevoelig en bijzonder belangrijk bij het ruiken en voelen. Door middel van een soort kammetje aan het uiteinde van de voorpoten houden ze de voelsprieten schoon. De manier waarop mieren met elkaar communiceren noemen we geurcommunicatie. Door middel voor geurstoffen laat een mier weten welke kant hij/zij is opgegaan om voedsel te zoeken. Ze gebruiken verschillende geurstoffen voor verschillende situaties. De geurstoffen worden feromonen genoemd. Hoe meer mieren hetzelfde spoor volgen, hoe sterker de geur wordt, daardoor zullen er nog meer soortgenoten dezelfde kant oplopen. Op die manier wordt voedsel het snelst naar het nest gebracht. De mieren nemen allemaal zoveel mogelijk voedsel per keer mee. In het achterlijf heeft een Mier een krop. Een krop is een soort zakje waarin een Mier voedsel kan bewaren en meenemen voor het voeden van andere mieren. Nadat een voedselbron is uitgeput vervliegt de geur snel want het spoor niet meer wordt gevolgd, sterker de mieren zijn alweer druk bezig met het volgen van een ander spoor. Als mieren onderweg zijn, tellen ze het aantal stappen dat ze nemen en onthouden ze plekken die ze gezien hebben. Ze hebben daarnaast nog een soort ingebouwd kompas om de weg vrijwel altijd terug te vinden.

Leefomgevingmier3

Mieren komen overal ter wereld op het land voor, met uitzondering van de poolgebieden. Er zijn kolonies die liever op de grond leven, in bloempotten, andere leven weer liever in de bomen of tussen de rotsen. Mieren zijn overal.

Eetgewoonte

Mieren eten en verzamelen van alles aan voedsel. Ze “verbouwen” zelf ook voedsel. De honingdauw dat Luizen produceren wordt door de Mieren gegeten. De Mieren “melken” Bladluizen en beschermen de Luizen tegen vijanden. Sommige soorten nemen de Luizen mee naar het nest om de Luizen daar in aparte kamers van boomwortels te laten genieten. Doordat de Luizen de boomsappen opzuigen, kunnen Mieren de Luizen onbeperkt “melken”. Ook zijn er soorten die bladeren meenemen naar het nest. De bladeren worden in aparte kamers bewaard, zodat de bladeren gaan schimmelen. Deze schimmel wordt weer door Mieren gegeten. De voorraad bladeren wordt bijna non-stop door de werksters bijgevuld.

Nest
mier6

Een mierennest is een bijzonder “gebouw”. Aan de leiding van het nest staat een (of meer) koningin(nen). Naast de koningin leven er voornamelijk vrouwtjes in de kolonie. De meeste zijn werksters, met allen hun eigen taak. Taken als de omgeving verkennen, voedsel verzamelen, het verzorgen van de kleintjes, de vrouwtjes hebben het reuze druk. Als goede verdediging zijn mieren voorzien van een laagje koolwaterstof. Aan het laagje kunnen mieren elkaar herkennen. Ieder lid van één nest ruikt hetzelfde. Als er een verdwaalde vriend of indringer het nest inkomt, wordt dat gelijk opgemerkt. Mieren laten duidelijk merken als ze de aanwezigheid niet op prijs stellen en zetten indringers waar nodig hardhandig buiten. Als verdediging hebben sommige een gifangel om te steken, andere bijten en spuiten gif op de wond en als laatste zijn er soorten die de vijand onder smeren met een plakkerig laagje. Ze smeren de voelsprieten en kop onder en de vijand zal stikken. De leden van het nest krijgen hetzelfde laagje koolwaterstof doordat ze het eten delen met z’n allen. Leden die de stof al dragen verspreiden met het eten de koolwaterstof over de andere mieren. Het nest is ingedeeld in verschillende kamers. Elke kamer heeft een eigen doel, bijv. opslagkamer, kraamkamer en de koningin heeft haar eigen kamer om eitjes te leggen. De kamers zijn onderling verbonden door tunnels.

Voortplanting

mier5

Tijdens een warme zomerse dag komen de eitjes met de koninginnetjes- en mannetjesmieren uit. Ze vliegen vrijwel direct het nest uit en paren in de lucht. De zogenaamde bruidsvlucht. Na de bevruchting landen de koninginnetjes veilig op de grond en gaan direct op zoek naar een plek voor hun eigen nest. Zodra de plek gevonden is, kruipt de koningin onder de grond en sluit het holletje af. Een paar dagen later begint ze met het leggen van eitjes. De koningin komt nooit meer boven de grond. Als de eitjes 3 tot 4 weken later uitkomen zijn het nog geen Mieren, maar larven te zien. De koningin geeft de larven zelf voedsel. Gelukkig groeien de larven snel en verpoppen tot een cocon. In de cocon ontwikkeld zich een Mier. De Mieren die uit de cocons komen, zullen voortaan voor de koningin zorgen. In het voorjaar beginnen de Mieren met het verzamelen van voedsel. De nieuwe larven, de koningin en de andere werksters(die al een andere taak hebben) moeten gevoed worden. De koningin is uitgehongerd, ze heeft maanden niets gegeten en veel voedsel en energie aan haar eerste eitjes en larven gegeven. Werksters zijn erg druk met de kleintjes. Ze moeten in een warme, vochtige omgeving zijn en daardoor verhuizen de werksters het jongbroed (verzamelnaam voor de eitjes, poppen en cocons) vrijwel constant. Het jongbroed wordt steeds naar de warmste plek van het nest gebracht. Alleen de eitjes van de koningin zijn goed. Als in een enkel geval toch een ander vrouwtje een eitjes legt, dan wordt het een mannetjes (mannetjes sterven heel snel).Bij sommige soorten mieren kunnen de vrouwtjes (met uitzondering van de koningin) geen eitjes leggen.

Meer weten over deze dieren?
National Geographic

Laat een bericht achter