Animalsunited header

Wandelende tak


Naam: Wandelende tak  wandelendetak2
Lengte: Tot 30 cm
Specialisatie: Camouflage
Voedsel: Planten en bladeren
Leefomgeving: In bomen
Taxonomische indeling:
  • Rijk: Dieren (Animalia)
  • Stam: Geleedpotigen (Arthropoda)
  • Klasse: Insecten (Insecta)
  • Onderklasse: (Pterygota)
  • Superorde: (Endopterygota)

wandelende tak     Wandelende tak

Wandelende takken behoren tot de insecten orde. Deze lange insecten zijn meesters in camouflage en lijken veel op een tak, een wandelende tak. Ze hebben slanke poten. De poten zijn niet geschikt om mee te graven, te springen of om er prooien mee te vangen. De familie wordt Phasmida genoemd. Onder de Phasmida orde vallen ook de wandelende bladeren, die zijn breder dan de wandelende takken en lijken, zoals de naam het al zegt, meer op een blad dan op een tak.

Kenmerken

Net als alle insecten hebben wandelende takken 6 poten en 2 voelsprieten. Wandelende takken zijn in lengte erg verschillend, er zijn soorten die niet langer worden dan 6 cm, maar er zijn ook soorten die langer dan 30 cm worden. Sommige soorten hebben zelfs vleugels of een afwijkend uiterlijk, zoals bijvoorbeeld de Peruphasma schultei. Wandelende takken nemen de vorm aan van een blad (wandelende bladeren) of takje.

wandelende takMeestal zijn ze groen of bruin van kleur, de kleur lijkt er veel op de kleur van de omgeving. Voor roofdieren zijn wandelende takken niet of nauwelijks te signaleren. Enkele wandelende takken, zoals de Indische wandelende tak (Carausius morosus), gebruiken geen camouflage kleuren, maar juist felle afschrikwekkende kleuren. Zodra er gevaar op de loer ligt, sperren ze de poten en laten de felle knalrode kleur zien. Roofdieren worden afgeleid, de Indische wandelende tak laat zich uit de boom, of van het blad vallen en vervolgens zijn ze bijna niet meer te vinden tussen de bladeren en takken op de grond. Weer andere soorten verdedigen zichzelf met stekels op de poten. Ze strekken de achterpoten uit zodat het roofdier met bijvoorbeeld de poten of de snuit langs de stekels komt en vervolgens een tweede keer nadenkt voordat het aanvalt. Er zijn soorten die juist de aanval als beste verdediging zien. Zodra ze in gevaar zijn spuiten ze een irriterende vloeistof richting het roofdier. Als laatste zijn er wandelende takken die vleugels gebruiken. De vleugels zijn meestal klein, maar wel voorzien van opvallende afschrikwekkende kleuren. Ook kunnen ze met de vleugels geluiden maken om vijanden op afstand te houden, dit wordt striduleren genoemd. Slechts enkele soorten wandelende takken kunnen echt vliegen, zoals de Necroscia annulipes bijvoorbeeld.

Eetgewoonte

De meeste soorten eten vooral braambladeren, of bladeren van een klimop. Voor de meeste dieren zijn de bladeren van een klimop gevaarlijk, maar een wandelende tak heeft geen problemen met de giftige bladeren. Uit de bladeren halen de wandelende takken voldoende vocht, daardoor drinken wandelende takken zelden tot nooit.

Er zijn een paar soorten die alleen van eucalyptus planten eten en in een uiterst noodgeval geval (als er geen voedsel te vinden is) zal een wandelende tak aan een soortgenoot knagen.

Leefomgeving

De meeste soorten wandelende takken en wandelende bladeren komen voor in de tropen. In Zuid-Amerika en Zuid-Oost-Azië komen de meeste soorten voor. Nederland heeft geen “wilde” soorten wandelende takken of bladeren. wandelend bladIn Europa leven er rond het Middellandse Zeegebied wel enkele soorten zoals bijvoorbeeld de Spaanse wandelende tak.

          Voortplanting

De voortplanting bij wandelende takken kan op twee manieren gebeuren: maagdelijke voortplanting (of parthenogenese voortplanting) en geslachtelijke voortplanting. Bij de maagdelijke voortplanting komen er geen mannetjes aan te pas. De vrouwtjes leggen zonder met een mannetje te paren, bevruchte eitjes. Uit deze eitjes komen alleen vrouwtjes. Bij de geslachtelijke voortplanting moet er wel eerst een paring plaatsvinden voordat het vrouwtje haar eitjes kan leggen. Over het algemeen klimt het mannetje op het vrouwtje en blijft daar gedurende een dag zitten. Ze paren door met de achterlijven tegen elkaar aan te bewegen. Na de bevruchting laat het vrouwtje de eitjes op de grond vallen via hun legboor, het geslachtskenmerk van het vrouwtje. Enkele soorten begraven ze in de grond. De meeste soorten hebben één van beide voortplantings methoden eigen gemaakt. Andere soorten passen zich aan en kunnen op beide manieren jongen op de wereld zetten. Zodra de eitjes gelegd zijn, zijn ze moeilijk te onderscheiden van planten zaadjes.

wandelende tak

Nog meer te weten komen over wandelende takken?
National Geographic

Laat een bericht achter