Animalsunited header

Schorpioen


Naam: Schorpioen  schorpioen
Lengte: Tot 23cm
Leefomgeving: Overal ter wereld, met uitzonderingvan de polen
Soorten: Er zijn zo’n 1800 soorten
Status: Stabiel
Taxonomische indeling:
  • Rijk: Dieren (Animalia)
  • Stam: Geleedpotigen (Arthropoda)
  • Klasse: Spinachtigen (Arachnida)
  • Orde: Schorpioenen (Scorpiones)

schorpioen

Schorpioen

Schorpioenen zijn geleedpotige dieren en horen bij de spinachtigen. Ze zijn zelfs de oudst bekende spinachtigen. In totaal zijn er ongeveer 1800 verschillende soorten. In tegenstelling tot andere dieren lijken alle schorpioenen op elkaar en ze zijn ook erg goed van andere dieren te onderscheiden. Schorpioenen varieeren erg in lengte van enkele centimeters tot een maximale grootte van 23 cm. De Heterometrus swammerdami is de grootste soort.

Kenmerken

Een schorpioen is een opvallend dier, met opvallende kenmerken. Ten opzichte van andere leden van de spinachtige klasse is het lichaam erg plat. Aan het einde van het lichaam hebben de schorpioenen een vrij dikke staart, met een gifstekel eraan. Ook aan de voorzijde is een schorpioen opvallend, de scharen zijn (in verhouding tot de rest van het dier) enorm. Alle schorpioenen zijn giftig, er zijn veel soorten die zelfs voor ons mensen erg gevaarlijk kunnen zijn. Het lichaam bestaat uit twee delen, een voorste (zogenaamde kopborststuk) en het achterlijf (opistosoma). Het kopborststuk is aan de bovenzijde voorzien van een rugschild. Dit schild is een stuk dikker dan de rest van het lijf en heeft een uitsparing voor de ogen. Schorpioenen hebben minimaal twee ogen. Twee ogen aan de voorzijde liggen dicht tegen elkaar aan. Veel soorten hebben meer ogen, tot maximaal 12 ogen. De extra ogen liggen niet aan de voorzijde, maar op de zijkant van het rugschild. Deze extra ogen worden ommatidiën gnenoemd. Desondanks zijn de ogen slecht ontwikkeld, ze kunnen eigenlijk alleen lichtverschuivingen waarnemen, maar geen kleuren. Bij sommige soorten zijn er op het rugschild verdikkingen te zien, de verdikking kan een doornachtige vorm krijgen. Ze hebben vier paar looppoten. Het achterlichaam (opistosoma) bestaat ook weer uit twee delen.schorpioen

De schorpioenen zijn meesters in camouflage, de kleur van de schorpioen is afhankelijk van de leefomgeving. Soorten die leven in en rond de woestijn zijn erg licht, vaak geel van kleur. Soorten die op de bosbodem leven hebben over het algemeen een donkerdere kleur. De kleur wordt beinvloed door de zon, veel zon zorgt voor een lichtere kleur. Ook het achterlichaam bestaat uit twee delen: Het mesosoma en het metasoma. Het mesosoma is het voorste gedeelte en ligt tegen het kopborststuk aan. Het mesosoma wordt beschermd door dikkere huidplaten, de zogenaamde buik- en rugplaten. De platen beschermen de belangrijke organen van een schorpioen en zorgen ervoor dat de schorpioen niet snel kan uitdrogen. De platen zijn aan de buitenste rand voorzien van een opening, een ademhalingsopening of stigmata. Deze stigmata zijn langwerpig van vorm en functioneren alleen op het land, geen van de schorpioenen kan overleven in het water. Het metasoma wordt ook wel staart genoemd.  Het is geen echte staart zoals honden en katten, maar meer het achterste gedeelte van het achterlichaam. Het metasoma bestaat bij elke schorpioen uit beweegbare delen vijf delen. Aan het uiteinde van het metasoma vinden we een kromme gifstekel met daarachter de anus. De gifstekel wordt telson genoemd en bestaat uit een gifblaas en een kromme holle stekel. Door een samentrekking van de spieren in de staart, wordt het gif in de prooi geinjecteerd. Zowel het mannetje als het vrouwtje is gewapend met de gifstekel (in tegenstelling tot veel insecten).

schorpioenLeefomgeving

Schorpioenen komen voor in de warmere gebieden op onze aarde. Vooral op de werelddelen Afrika, Australië en Zuid-Amerika komen veel verschillende soorten voor. In Europa leven enkele soorten rond de Middellandse Zee tot ongeveer het midden van Frankrijk en in Azië vinden we de schorpioenen alleen in het zuidelijke (warmere) gedeelte. Als laatste leven er ook in het westen van Noord-Amerika enkele soorten. Schorpioenen leven in tropische en sub-tropische gebieden en kunnen zelfs in de extreme hitte van bijvoorbeeld de Sahara woestijn overleven. Schorpioenen zijn ‘s nachts actief. Overdag verstoppen ze zich in de schuilplaats onder bijvoorbeeld stenen en omgevallen bomen. Andere soorten zijn gespecialiseerd in los zand en graven zich half in het zand. De voorste drie paar poten dienen als graafpoten. Enkele soorten leven in bomen en verstoppen zich daar in gaten of scheuren. Er zijn ook een aantal soorten gevonden op hoogte, in het Himalaya gebergte en ook het Andes gebergte wordt bewoond door de schorpioen. Ze leven solitair, alleen, en komen elkaar eigenlijk alleen tijdens het voortplantingsseizoen tegen.

Eetgewoonteschorpioen

Schorpioenen zijn roofdieren. Ze leven van spinnen, insecten en andere schorpioenen. De haren op de poten zijn voorzien van tastzintuigen en kunnen net als de grijpscharen trillingen waarnemen. Dankzij deze tastharen kunnen ook geluidstrillingen waargenomen worden. Zo kunnen ze zowel prooien als belagers signaleren. Prooien worden vastgegrepen met de scharen.Vervolgens wordt de prooi uit elkaar gescheurd en voorzichtig naar de kaken gebracht. Over het algemeen wordt de gifstekel niet gebruikt. Na een steek duurt het enige tijd voordat het gif in de stekel weer volledig is aangevuld. Is de prooi groter dan de schorpioen of verzet de prooi zich hevig, dan worden er alsnog giftige steken toegebracht. Een schorpioen kan de hoeveelheid gif reguleren doordat ze controle hebben over de spieren die het gif laten stromen. Sommige schorpioenen hebben zulke krachtige spieren dat ze het gif weg kunnen spuiten. Dit wordt niet gebruikt om prooien te vangen, maar het is een verdedigings techniek. Het gif kan tot een meter ver worden gespoten en kan het tot ernstige schade leiden als het in de ogen van de vijand komt.

Voortplanting

Mannetjes en vrouwtjes komen elkaar zelden tegen. Als een mannetje wil paren, probeert hij indruk te maken op het vrouwtje. Dat doet hij met een paringsdans. Met de scharen voor zich uit loopt hij richting het vrouwtje. Zodra het vrouwtje beweegd, dan stopt het mannetje, veel soorten laten het lichaam trillen om te laten weten, dat ze geen prooi zijn. Als het vrouwtje, het mannetje toestemming geeft, lopen ze naar elkaar toe, bewegen ze de koppen naar elkaar en houden ze elkaars scharen vast. De bevruchting van de eitjes gebeurt buiten het lichaam (uitwendige bevruchting). Het mannetje laat een sperma pakketje vallen. Het mannetje en vrouwtje “dansen” over de het pakketje en het vrouwtje pakt het op. Het vrouwtje brengt het pakketje zelf naar haar geslachtopening. Het vrouwtje kan het sperma pakketje ook schorpioen(deels) opslaan, zo kan ze meerdere keren bevrucht worden. Na deze paring vertrekt het mannetje vrijwel direct, vrouwtjes hebben namelijk de neiging het mannetje op te eten. Zodra het vrouwtje zwanger is, stopt ze met eten. Als ze het mannetje te pakken krijgt na de paring, dan heeft ze een voedselrijk maal, zowel voor haarzelf, maar ook voor de ontwikkeling van haar eitjes heeft het maal een goede uitwerking. De meeste soorten schorpioenen zijn eierlevendbarend. Veel soorten leggen de eieren, en als de jongen eruit komen zijn ze al volledig ontwikkeld. Bij sommige soorten komen de eitjes in de buik van de moeder uit. Deze soorten noemen we levendbarend. De zwangerschap kan oplopen tot een jaar. Zodra de schorpioenen geboren worden, klimmen ze bovenop moeders. Dat doen ze omdat het beschermende pantser nog erg zacht is en nog niet waterdicht. Er gaat vocht verloren, maar door op één plek te blijven beperken ze het vochtverlies tot een minimum. Moeders helpt met de “hoge” opstap, door haar scharen omlaag te houden en er een soort helling van te maken. Schorpioenen zijn goede moeders en erg beschermend. Meestal blijven de jongen tot na de eerste vervelling dicht bij de moeder, daarna zijn ze groot genoeg om zelfstandig te overleven en voedsel te zoeken. De jongere dieren zijn al net zo giftig als de volwassen exemplaren, alleen de gifstekel is nog wel een stuk kleiner. Schorpioenen vervellen regelmatig. Zo kunnen ze groeien en eventuele beschadigingen aan het pantser herstellen. Tijdens het vervellen zijn de schorpioenen bijzonder kwetsbaar. Het vervellen gebeurt daarom over het algemeen ‘s nachts en op een schuilplaats. Na het vervellen wordt de oude huid vaak opgegeten en zodra de dieren volwassen zijn, vervellen ze niet meer.

Wil je nog meer weten over schorpioenen?

National Geographic

Laat een bericht achter